Gedrag van jongens en meisjes in de klas

Regelmatig ontstaat er een discussie over het onderwijs in Nederland. Zo ook over het gedrag van jongens en meisjes in de klas. Maar wordt het gedrag van jongens en meisjes daadwerkelijk anders getypeerd in de klas? Verschillen leerkrachten in hun perceptie? En zo ja, is dit afhankelijk van de sekse van de leerkracht?

Voor mijn masterscriptie (juni 2019) heb ik onderzoek gedaan naar de perceptie van meesters en juffen op sociaal-emotioneel gedrag in de klas. In dit artikel lees je een beknopte samenvatting van het onderzoek.


Door de invoering van passend onderwijs worden verschillen tussen leerlingen in de klas groter en neemt het aantal leerlingen met gedrags- en leerproblemen toe. Elke leerling brengt unieke kenmerken, gedragingen en behoeften met zich mee. Niet elke leerkracht voelt zich opgewassen tegen de taak om met een diverse leerlingpopulatie om te gaan. Met name individuele leerlingen met sociaal-emotioneel probleemgedrag zijn voor veel leerkrachten een uitdaging.

Onder sociaal-emotioneel probleemgedrag wordt al het gedrag verstaan dat in strijd is met sociale normen wat meestal zorgt voor conflicten. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen externaliserend probleemgedrag, zoals schelden of vechten en internaliserend probleemgedrag, zoals angst of depressie. Dergelijk probleemgedrag kan leiden tot hulpeloosheid en frustratie bij de leerkracht en gaat ten koste van de instructietijd. Daarnaast heeft sociaal-emotioneel probleemgedrag invloed op de ontwikkeling en op het leren van geschikte gedrags- en schoolse vaardigheden.  Leerlingen met sociaal-emotioneel probleemgedrag doen het over het algemeen minder goed op school. Kortom, sociaal-emotioneel probleemgedrag in het onderwijs kan grote gevolgen hebben.

Voor het onderzoek naar de perceptie van leerkrachten op sociaal-emotioneel gedrag in de klas is gebruik gemaakt van 464 leerling-leerkracht vragenlijsten. 

De leerlingen zaten in groep 6 (158), 7 (155) en 8 (151) van het basisonderwijs en bestond uit 231 jongens (49.8%) en 233 meisjes (50.2%). Van de deelnemende leerkrachten (62) was de meerderheid vrouw (67.5%).

Uit het onderzoek blijkt dat er een verschil is tussen meesters en juffen in hun perceptie op externaliserend gedrag. Meesters rapporteren meer externaliserend en internaliserend gedrag. Daarnaast wordt over het algemeen meer externaliserend gedrag voor jongens, dan voor meisjes gerapporteerd. Wat betreft prosociaal gedrag verschillen meesters en juffen niet in de mate waarin zij dit gedrag rapporteren. Echter rapporteren zowel meesters als juffen vaker prosociaal gedrag bij meisjes dan bij jongens.

 Naast de perceptie van leerkrachten op gedrag, is ook de perceptie van klasgenoten op het gedrag van hun medeleerlingen onderzocht. Klasgenoten rapporteren vaker externaliserend gedrag bij jongens dan bij meisjes. Daarentegen rapporteren klasgenoten geen verschillen tussen jongens en meisjes als het gaat om internaliserend en prosociaal gedrag. Ten slotte is gebleken dat klasgenoten over het algemeen minder externaliserend, internaliserend en prosociaal gedrag rapporteren bij hun medeleerlingen, dan meesters en juffen.

 

 Het doel van dit onderzoek was om de verschillen tussen meesters en juffen in hun perceptie op sociaal-emotioneel gedrag te achterhalen. Dit is van belang vanwege eventuele vertekening in percepties van leerkrachten op gedrag. Jongens worden bijvoorbeeld eerder gezien als storend en internaliserend gedrag kan soms als minder problematisch worden gezien. Daarnaast is de perceptie van leerkrachten van belang om te onderzoeken vanwege de self- fulfilling prophecy, waarbij leerlingen zich gedragen naar wat van hen verwacht wordt. De perceptie van klasgenoten is onderzocht om te achterhalen of de perceptie van klasgenoten overeenkomt met de perceptie van de leerkracht. Dit om erachter te komen of de leerkracht als ‘invisible hand’ fungeert. In dit geval draagt de leerkracht zijn of haar percepties van bepaald gedrag over aan klasgenoten. Het risico hierbij is dat klasgenoten een vertekend beeld vormen over leerlingen met sociaal-emotioneel probleemgedrag.
 
 Het onderzoek levert drie belangrijke bevindingen op. Ten eerste blijkt dat meesters vaker sociaal-emotioneel probleemgedrag in de klas waarnemen dan juffen. Ten tweede blijkt dat zowel meesters als juffen vaker externaliserend gedrag rapporteren bij jongens, wat overeenkomt met de perceptie van klasgenoten. En ten derde blijkt dat juffen grotere verschillen in externaliserend gedrag rapporteren tussen jongens en meisjes. 


Opmerkelijk genoeg blijkt dus dat meesters meer sociaal-emotioneel probleemgedrag signaleren in de klas. Dit is een belangrijke bevinding aangezien bekend is dat omgaan met externaliserend gedrag vaak ten koste gaat van de instructietijd in de klas en van de leerkracht-leerlingrelaties. Daarnaast tonen de resultaten aan dat prosociaal gedrag minder vaak wordt gesignaleerd in de klas dan externaliserend en internaliserend gedrag. Hieruit blijkt dat er dus meer aandacht wordt geschonken aan sociaal-emotioneel probleemgedrag van leerlingen. Ten slotte is gebleken dat klasgenoten de percepties van de leerkracht op leerlinggedrag overnemen. Dit is een belangrijke bevinding omdat de leerkracht klaarblijkelijk fungeert als ‘invisible hand’. 

De bevindingen hebben twee belangrijke implicaties voor de praktijk. Ten eerste dienen leerkrachten zich bewust te zijn van het feit dat hun handelen wordt beïnvloed door de perceptie die zij hebben op gedrag. Externaliserend gedrag wordt bijvoorbeeld vaak gestraft en zulke handelingen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van de relatie die leerkrachten met de individuele leerlingen opbouwen. Daarnaast kan dit gevolgen hebben voor de uiteindelijke leerprestaties van leerlingen. Ten tweede dienen leerkrachten zich bewust te zijn van de overdracht van hun perceptie op gedrag aan klasgenoten. Leerkrachten hebben een voorbeeldfunctie en moeten zich bewust zijn van hun ‘invisible hand’. Het is dus belangrijk dat leerkrachten positief gedrag belonen van individuele leerlingen met sociaal-emotioneel probleemgedrag, zodat klasgenoten geen vertekend beeld vormen. Hierbij is het van belang dat leerkrachten kritisch leren reflecteren op hun cognities en handelen ten aanzien van leerlingen met sociaal-emotioneel probleemgedrag.

Kortom: Leerkracht dienen zich bewust te zijn van hun perceptie op het gedrag van leerlingen omdat hun handelen hierdoor wordt beïnvloed. Daarnaast dragen leerkrachten hun perceptie over aan de leerling met sociaal-emotioneel probleemgedrag en zal de leerling zich naar deze verwachting gaan gedragen. Ook zijn leerkrachten in staat om hun perceptie op bepaald gedrag onbewust over te dragen op klasgenoten, waardoor klasgenoten bevooroordeeld kunnen zijn in de omgang met deze leerlingen. Ten slotte is het van belang dat leerkrachten alert blijven op positief gedrag, zodat de leerlingen vooral positief worden gestimuleerd.

 

bronnen:
(Nifterik, 2016), (Smeets et al., 2015), (Kyriacou, 2001), (Krneta & Sevic, 2015), (Bijttebier, Briers, Spilt & Grietens, 2018), (Robers, Zhang, Truman, & Snyder, 2012; Spilt et al. 2011; Spilt & Koomen, 2009), (McClelland, Morrison, & Holmes, 2000), (Campbell, 2002),  (Tavecchio, 1989), (Jussim, 1989), (Farmer et al., 2011), (Robers et al., 2012), (Gresham & Kern, 2004), (Bowman et al., 2001; McClelland et al., 2000).